Alex Agnew over Antwerpen en Gent

Alex Agnew, een komiek waar ik zelden of nooit mee kan lachen. Dat hoeft ook niet, want dat doet hij zelf wel. Maar dan wordt hij plots serieus en zegt hij wijze dingen. In Zeno, de weekendbijlage in godbetert De Morgen.

“Als het in De Morgen over Antwerpen gaat , dan is het bijna altijd in negatieve zin. Soms denk ik: zitten er daar op uw redactie wel Antwerpenaren?

Onlangs was het weer prijs, bij Hugo Camps. Naar aanleiding van de begrafenis van het woord allochtoon schreef hij een lofzang op Gent, een toonbeeld van progressiviteit en verdraagzaamheid. Dat uiteraard allemaal in scherpe tegenstelling tot Antwerpen, waar we bij wijze van spreken de swastika’s uit het raam hangen, in bruine uniformen door de straten marcheren en alles wat een andere kleur heeft in elkaar kloppen. Excuseer, ik krijg het daarvan.

Ik kan u verzekeren, het is in Antwerpen niet beter of slechter dan ergens anders. Overal waar ik een aangebrande mop vertel, heb je idioten die er de joke niet van inzien en goedkeurend gaan applaudisseren. Dat maak ik overal mee, zelfs in Gent, de hoofdstad van de verdraagzaamheid en de progressiviteit. De plek waar, als ik het mij goed herinner, alle Roma-zigeuners geweldig hard welkom zijn en niemand klaagt over veel te luidruchtige Gentse Feesten.”

Ik had het niet beter kunnen verwoorden. En misschien moet Agnew maar eens een échte carrièreswitch overwegen: van stand-up comedy naar bezeten ernst.

Plagiaat

Een vage bekende die ik al een tijd niet meer heb gezien – lees: sinds hij gestopt is met tappen – is erin geslaagd mijn website voor de eenmanszaak nagenoeg te kopiëren. Quasi hetzelfde aanbod met dezelfde woordkeuze en dezelfde inhoud in dezelfde volgorde. Ik verzeker u dat de schellen van mijn ogen, de vleugels van mijn neus en de kloten van mijn kruis vielen. Perplex. Als door de bliksem getroffen; zo voelde dat.

Eerst geef je nog het voordeel van de twijfel. Misschien blijkt alles een slechte droom, een opstoot van paranoïa, of een momentopname van misplaatste eigenwaan. Maar dan ga je verder graven en smak je keihard met je neus op iets wat er al een tijdje lag te composteren: je eigen spiegelbeeld. Dit is plagiaat en daar bestaat geen enkele twijfel over.

Amper vier dagen eerder had de copycat in kwestie zich nogal enthousiast uitgelaten over mijn website. Dat kwam ik via via te weten en dat vond ik best ok. Zo voelt dat als je een compliment krijgt voor iets waar je hard aan gewerkt en lang over geprakkiseerd hebt. Tot ik dus toevallig op zijn website bots via Google Adwords. Ook dat nog. Simultaan adverteren en concurreren. Met mijn ideeën. Het lef.

Ge moet toch maar durven.

Laten inspireren, dat dan weer wel ja. Iedereen doet het en zo hoort het ook. Om er vervolgens helemaal zelf mee aan de slag te gaan, want ik ben jij niet. Ik ben ik, en dat maakt me uniek. Toch?

Hugo Camps

Altijd al eens een Campske willen doen. Als wederwoord, of beter wederdaad, in een opbod van stereotiepen. En voor een sujet uit de Serpentstraat: eerder een monotiep.

“Ge moet het toch maar doen, eej? Zo’n scherpe pen dat die Camps heeft!” Kwestie van de kotsstraal van blinde adoratie een halt toe te roepen, repliceer ik dat zoiets best te doen valt. En dat de schertsfiguur Hugo Camps verworden is tot een karikatuur van zichzelf wiens schrijfsels tot stand komen volgens een strak format. Noem het gerust een one trick pony. Waarop het sujet op zijn paard kruipt en steigert. Wat volgt is minachting en hoongelach. “Kunde gij het? Eej, kunde gij het misschien?” Soms laat je zelfoverschatting beter waar ze hoort: aan de toog en in het glas. Of niet.

Hugo Camps: accelereren in nijd en rancune

Jouw recht op spot, Hugo. Want wie je columns leest, beleeft daar kennelijk veel lol aan. Toegegeven, ik ben geen fan. Ook niet van de vorm. Die diarree aan onbestemdheid doet mij denken aan de nasleep van mijn laatste dürüm. Lang borrelen, iets minder lang spetteren maar nooit eens echt knallen.

Boze, blanke man. Grof gesponnen en los genaaid.

Nog een rondje gekscheren voor de eigen elite, het schuim op de lippen. Demareren, exalteren … tot de bom bijna barst. Lolo Ferrari leeft en ze schrijft columns. Scherpe columns, recht uit het vagevuur.

De waan van de dag komt met de morgen en draagt zelden een boerka. Toch een GAS-boete. Voor eigenwaan. En voor überkitsch in rococostijl: geen letter te weinig, geen woord te goedkoop. Zo wollig dat het lijkt alsof er een hele kudde schapen aan verloren is gegaan. Al hoedt de herder nog zo graag.

Maar de lammeren in kamp Camps volgen gedwee. Meer nog, ze tonen zich strijdbaar en schurken maar wat graag aan tegen dat warme, grootvaderlijke lijf van de oude kampoverste. Als jonge jongetjes op de klamme schoot van de internaatsopvoeder.

Vermoeiend toch, al die grootsprakerigheid.

Hyena-journalistiek: isoleren, opjagen, verscheuren. En wat niet verteert gewoon uitspuwen in balorige braakballen. Of machinaal verteren als een cloaca.

Herkauwers doen het met vier magen, een vette pens en een kwak vetzuren. Maar jij, de evenhoevige Camps, hebt genoeg aan een paar potige pennetrekken. En een slok whiskey.

Meester Prikkepen.

Grossieren in verkrampte linksigheid en onwetendheid -desnoods tegen beter weten in- badineren in selectieve blindheid, en accelereren in nijd en rancune: een core business als geen andere. Ooit die van Kristien Hemmerechts; tot nader order alive maar niet meer zo kickin’. Maar nu is het rijk aan jou, Hugo.

Koning van de karikatuur.

Wat heb je aan nuance als je maar 200 woorden krijgt? Lang leve de tweedeling, want het leven is een groot dilemma. Voor of tegen, onder of boven, rechts of links, Vlaamse grondstroom of Molensteedse modder. Kleur bekennen zonder kleuren: alles zwart-wit. Net zoals in de jaren ’30. Verhuis naar Gent, Hugo, waar alles peis en vree lijkt en de geesten utopie veinzen.

Luide hoop in bange dagen.

Iemand die alleen maar schreeuwt, creëert zijn eigen potsierlijkheid. Je eigen woorden, Hugo. En toch. Respect. Hysterisch orakelen in een schijnbaar poëtisch adagium en er ook nog vlotjes de kost mee verdienen; het is weinigen gegeven.

Daarom dus. Die knieval voor Marchal en tongval voor Maxima.

Wel alert blijven, Hugo. Zelfs een monument als jij blijft maar beter waken over zijn merite. Want voor je ‘t weet gaat er een jonge wolf mee aan de haal. Er was een tijd dat niemand je columns begreep. Knap vond ik dat, een unique selling proposition zelfs. Maar de tijden zijn veranderd. Waar is dat moeras van beeldspraak (dixit Clement Peerens) van weleer gebleven? Ik zie je wat laagdrempelig afglijden naar een breed publiek. Het plebs, Hugo, het plebs … Niks voor jou, me dunkt.

Muziekliefhebber na je dertigste

Muziekliefhebber, dat blijf je misschien best maar tot je dertigste. Waarom? Omdat je op tram 3 al niet meer zo onbevangen luistert. Laat staan op tram 4. Weg begeestering, weg aha-Erlebnis, weg ongeschreven blad van weleer. Been there maar vooral heard that.

Ach, dat rifje hebben ze toch gewoon schaamteloos gejat van The Cure? Het lef! Verwondering maakt plaats voor verwaandheid. En draai die plaat maar eens terug.

YouTube voorvertoningsafbeelding YouTube voorvertoningsafbeelding

En eigenlijk had ik hetzelfde kunnen flikken met twee andere nummers van dezelfde bands. Maakt niet uit.

En toch. Heel soms blaast een van die jonge, nieuwe wolven je van je sokken met iets wat enigszins vernieuwend klinkt. Al is het maar omwille van een originele mix van oude, beproefde recepten. Fink bijvoorbeeld. Een flard dance, een rif blues, en een stuk folk. Maar toch vooral een heel eigen geluid dat je nog niet eerder exact hetzelfde hoorde. Zelfs voor een oude zak … oude wijn in nieuwe zakken.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Het concert in Leuven bleek een beetje eentonig, maar die vent kan wel gitaar spelen en claimt het ritmegevoel van een neger.

Naar concerten sleep ik me op mijn gezegende leeftijd nog met veel moeite. Een keer of drie per jaar. Zo zag ik in het voorjaar ene Nick Waterhouse in de Charlatan anderhalf uur aan een stuk hetzelfde nummer spelen. (Gelukkig was het wel een goed nummer.) En die vrijkaart voor Heather Nova in de Vooruit bleek een oude zakken-geschenk onder het motto ‘herinnert u zich deze nog?’. Gemiddelde leeftijd: 43? ‘Kijk, ze hebben de home losgelaten’, merkte mijn compagnon fijntjes op. Onze home, zeg maar.

Verkiezingen in Gent

Een eiland op een parking; dat heb ik nu nog nooit gezien. Ik zweer het je.

Verbaasd over het resultaat van de verkiezingen in Gent? Toch niet.

Laat ons eerlijk zijn: veel concurrentie heeft Termont niet gekregen. En als je de straat op gaat, meet je al gauw de temperatuur. Gent blijft een links, conservatief bastion. Nergens in Vlaanderen klinkt de mening van de man of vrouw in de straat zo eensgezind en eenduidig. Nergens in Vlaanderen kleuren statistieken zo rood en groen. Nergens klinkt de roep naar verandering zo stil.

Die eensgezindheid heeft wel een keerzijde. Vrees ik. Ik zie Gent liever niet evolueren naar een Oostende aan de Leie. Op lange termijn loop je als stad het risico op uitwassen van het monopolie van de macht. Gezond voor de democratie is dat niet , lijkt me. Termont zegt dat hij stopt na deze termijn, maar ik wil het nog eerst zien. Gelukkig ben je als politicus niet statutair benoemd.

Er schuilt nog een ander risico in zo’n quasi absolute meerderheid en continuïteit: dat je als burgemeester gaat geloven in je eigen onaantastbaarheid. Je ziet het al een tijdje in Leuven, en je zag het afgelopen week ook in Gent: gecultiveerde  bullenbakkerij. Niet zo extreem als die van Bart De Wever afgelopen zondag in ‘t stad, maar toch…

Een volk krijgt de leiders dat het verdient. En het grootste gevaar van collectieve eenduidigheid schuilt misschien wel in de geesten van dat volk. De Gentenaar wordt wel eens verblind door liefde voor zijn stad, waardoor hij de werkelijkheid en de werkelijke problemen niet meer ziet. Een verkeersinfarct, slechte fiets- en voetpaden, sluikstorten, straatracen, dubbel parkeren, verpauperde buurten, gebrek aan integratie, … De mantel der liefde kan veel bedekken, maar ook niet alles. Als je een ei laat rotten, dreigt het ooit te ontploffen.

Wat ik Termont verwijt? Dat hij prestigeprojecten blijkbaar belangrijker vindt dan de problemen die ik hierboven heb opgesomd. Al is ook dat maar een mening en dus voor discussie vatbaar. En laat dat nu net zijn waar democratie over gaat: het georganiseerd van mening verschillen.