Vakantie een feest

Vraag mij hoe de vakantie is geweest en ik zal u antwoorden: fantastisch … werkelijk fan-tas-tisch.

Weergaloos. Zoals in ‘zonder weerga’.

Het weer was prachtig, het eten smaakte verrukkelijk en de camping bleek impeccable. Kamperen is dan ook gewoon de max, een symbiose met de natuur enzo. Kinderen hebben we niet, maar mochten we die wel gehad hebben dan zouden ook zij zich ongetwijfeld geen moment verveeld hebben. Dat staat gewoon buiten kijf. Ze maakten vriendjes bij bosjes en ravotten dat het een lieve lust is. Zoiets.

ricard

Tot daar de sociaal wenselijke versie. Kwestie van een stigma als zagevent, negativist en/of cynicus te tackelen. Desnoods in de toegevoegde tijd.

Of wilt u misschien de waarheid horen?

De mooie kant van onze reis.

  • Een hoop boeiende bezienswaardigheden annex belevenissen: de Notre Damme du Haut, de doortocht van de Tour de France in Gruffy en het prachtige meer Lac du Bourget. En ook wel die ouwe die zijn poedel een tong draaide.
  • De relatieve rust en overweldigende natuur die bij momenten als een verademing voelden.
  • Een tent die haar vuurdoop met gemak doorstond.
  • De Fransen die zich weer een vriendelijk volk toonden: beleefd, hoffelijk en open.
  • De pâté forrestière à l’ancienne die niet alleen naar het bos maar vooral naar méér smaakte.

 

Maar ook …

  • Dat het ‘s avonds onweerde alsof de wereld elk moment kon vergaan en de verveling met bakken uit de lucht viel.
  • Dat de verlammende hitte (circa 35° celcius) vooral uitnodigde tot een duik in het meer of totale passiviteit onder een boom.
  • Dat de vochtigheidsgraad in de Savoie wedijverde met het tropisch regenwoud.
  • Dat we elke avond opnieuw, én die keer overdag  in het bos, lek gestoken werden door een legertje insecten tot er schijnbaar een integraal ei onder mijn linker arm hing.
  • Dat de romantiek van kamperen in de praktijk een zwaar onderschatte leugen bleek. Weinig hygiëne, nog minder luxe en al helemaal geen rust. Vieze toiletten en douches, vochtige en/of broeierige tenten en gillende kinderen/lawaaierige pubers. En dat zoeken… altijd maar dat zoeken naar dingen …
  • Dat Annécy veel weg had van een Nederlandse kolonie die elk moment kon ontsteken in een collectieve polonaise. Gelukkig kwam het zover (nog) niet.
  • En dat twee weken op elkaars lip zitten ook tot spanningen kan leiden. Onbezorgd?

 

Maar dat tweede deel leest geen dooie hond. Want vakantie, dat is gewoon één groot feest. Iets waar je een heel jaar naar uitkijkt en dat absoluut niet mag tegenvallen. Bijna zoals oudejaarsavond. Voor vakanties geldt eigenlijk hetzelfde als voor de doden: niets dan goeds.

Gentenaars met hoofddoek

De kogel is door de moskee: de hoofddoek mag weer achter het loket. In Gent, mekka van verdraagzaamheid en ook wel  gewoon van Allah.

De eerstvolgende keer dat ik een nummer trek op de Zuid verwacht ik een ambtenaar met hoofddoek. Sterker nog, ik sta erop. I insist. Anders hoeft het niet voor mij. Dat zou immers betekenen dat de hoofddoek-ambtenaar niets meer is dan een fantoomambtenaar, een fata morgana in een woestijn van symboolpolitiek.  Het zal toch niet waar zijn zeker?

Vier uur had het Gentse schepencollege nodig voor de apotheose van een nogal potsierlijke politieke campagne. Vier. Toe maar. Even terugspoelen? De allochtoon werd semantisch en symbolisch begraven, er kwam een schapenstal in de plaats en er volgde een dozijn sneren naar die andere Oost-Vlaamse stad waar -naar Gentse normen- de verkeerde politieke klasse bestuurt.

Gelukkig zijn politieke carrières een almaar korter leven beschoren. Op 8 juni 2014 worden de kaarten weer verdeeld op federaal vlak en zal blijken dat het verkiezingsresultaat van Gent -toch nog altijd de tweede stad van Vlaanderen- er eigenlijk niet toe doet. Quantité négligable.

‘Fier dat ik Gentenaar ben!’

Gentenaars blijven ondertussen de ongekroonde koningen van het zichzelf op de borst kloppen. In die mate dat het mag verbazen dat zoiets nog nooit tot een gekneusde rib heeft geleid. Kijk eens hoe tolerant, breeddenkend en progressief wij zijn.

Tenminste, zo lijkt het wel. Want als je de mening van de man in de Hoogstraat of -poort zou peilen, krijg je mogelijk een heel ander geluid te horen. Een meer volwassen en genuanceerd beeld.

Nee, het gaat hier wel degelijk over het soort Gentenaars dat gratuite berichtjes als ‘Fier dat ik Gentenaar ben!’ op het net loslaat en zich in één adem laatdunkend en cynisch uitlaat over alles wat maar enigszins naar nationalisme of een afgeleide ervan ruikt. Nochtans ook een vorm van samenhorigheid.

Tot daar de open geest van progressief Gent.

Liever meewarig en generaliserend oordelen over die andere stad die grote problemen aanpakt. Verontwaardigd orakelen over en laatdunkend uithalen naar die nieuwe partij die problemen anders aanpakt. Dat dan weer wel. Tot vervelens toe. Desnoods in 140 tekens. Want de dwaas bedient zich zelden van nuance.

De zelfverklaarde progressieve Gentenaar heeft blijkbaar een historische eer hoog te houden; die van het recalcitrant zijn. Maar in de praktijk blijkt die tegendraadsheid vaak een lege doos: geen of weinig valabele argumenten en een chronisch gebrek aan realiteitszin.

Mentale verstarring. Bloedarmoede in overdrive. Post-puberale pseudo-punk, rebellie zonder rede(n).

Ach, wat moet je met inhoud als de geesten gezamenlijk schampen en schamperen en niemand je tegenspreekt? Eigen subcultuur eerst. Samen sterk voor de eigen elite en grenzeloos tégen het plebs. Al hoeft dat nooit met zoveel woorden gezegd. Socialisme anno 2013? Welkom in Gent.

Alex Agnew over Antwerpen en Gent

Alex Agnew, een komiek waar ik zelden of nooit mee kan lachen. Dat hoeft ook niet, want dat doet hij zelf wel. Maar dan wordt hij plots serieus en zegt hij wijze dingen. In Zeno, de weekendbijlage in godbetert De Morgen.

“Als het in De Morgen over Antwerpen gaat , dan is het bijna altijd in negatieve zin. Soms denk ik: zitten er daar op uw redactie wel Antwerpenaren?

Onlangs was het weer prijs, bij Hugo Camps. Naar aanleiding van de begrafenis van het woord allochtoon schreef hij een lofzang op Gent, een toonbeeld van progressiviteit en verdraagzaamheid. Dat uiteraard allemaal in scherpe tegenstelling tot Antwerpen, waar we bij wijze van spreken de swastika’s uit het raam hangen, in bruine uniformen door de straten marcheren en alles wat een andere kleur heeft in elkaar kloppen. Excuseer, ik krijg het daarvan.

Ik kan u verzekeren, het is in Antwerpen niet beter of slechter dan ergens anders. Overal waar ik een aangebrande mop vertel, heb je idioten die er de joke niet van inzien en goedkeurend gaan applaudisseren. Dat maak ik overal mee, zelfs in Gent, de hoofdstad van de verdraagzaamheid en de progressiviteit. De plek waar, als ik het mij goed herinner, alle Roma-zigeuners geweldig hard welkom zijn en niemand klaagt over veel te luidruchtige Gentse Feesten.”

Ik had het niet beter kunnen verwoorden. En misschien moet Agnew maar eens een échte carrièreswitch overwegen: van stand-up comedy naar bezeten ernst.

Plagiaat

Een vage bekende die ik al een tijd niet meer heb gezien – lees: sinds hij gestopt is met tappen – is erin geslaagd mijn website voor de eenmanszaak nagenoeg te kopiëren. Quasi hetzelfde aanbod met dezelfde woordkeuze en dezelfde inhoud in dezelfde volgorde. Ik verzeker u dat de schellen van mijn ogen, de vleugels van mijn neus en de kloten van mijn kruis vielen. Perplex. Als door de bliksem getroffen; zo voelde dat.

Eerst geef je nog het voordeel van de twijfel. Misschien blijkt alles een slechte droom, een opstoot van paranoïa, of een momentopname van misplaatste eigenwaan. Maar dan ga je verder graven en smak je keihard met je neus op iets wat er al een tijdje lag te composteren: je eigen spiegelbeeld. Dit is plagiaat en daar bestaat geen enkele twijfel over.

Amper vier dagen eerder had de copycat in kwestie zich nogal enthousiast uitgelaten over mijn website. Dat kwam ik via via te weten en dat vond ik best ok. Zo voelt dat als je een compliment krijgt voor iets waar je hard aan gewerkt en lang over geprakkiseerd hebt. Tot ik dus toevallig op zijn website bots via Google Adwords. Ook dat nog. Simultaan adverteren en concurreren. Met mijn ideeën. Het lef.

Ge moet toch maar durven.

Laten inspireren, dat dan weer wel ja. Iedereen doet het en zo hoort het ook. Om er vervolgens helemaal zelf mee aan de slag te gaan, want ik ben jij niet. Ik ben ik, en dat maakt me uniek. Toch?

Hugo Camps

Altijd al eens een Campske willen doen. Als wederwoord, of beter wederdaad, in een opbod van stereotiepen. En voor een sujet uit de Serpentstraat: eerder een monotiep.

“Ge moet het toch maar doen, eej? Zo’n scherpe pen dat die Camps heeft!” Kwestie van de kotsstraal van blinde adoratie een halt toe te roepen, repliceer ik dat zoiets best te doen valt. En dat de schertsfiguur Hugo Camps verworden is tot een karikatuur van zichzelf wiens schrijfsels tot stand komen volgens een strak format. Noem het gerust een one trick pony. Waarop het sujet op zijn paard kruipt en steigert. Wat volgt is minachting en hoongelach. “Kunde gij het? Eej, kunde gij het misschien?” Soms laat je zelfoverschatting beter waar ze hoort: aan de toog en in het glas. Of niet.

Hugo Camps: accelereren in nijd en rancune

Jouw recht op spot, Hugo. Want wie je columns leest, beleeft daar kennelijk veel lol aan. Toegegeven, ik ben geen fan. Ook niet van de vorm. Die diarree aan onbestemdheid doet mij denken aan de nasleep van mijn laatste dürüm. Lang borrelen, iets minder lang spetteren maar nooit eens echt knallen.

Boze, blanke man. Grof gesponnen en los genaaid.

Nog een rondje gekscheren voor de eigen elite, het schuim op de lippen. Demareren, exalteren … tot de bom bijna barst. Lolo Ferrari leeft en ze schrijft columns. Scherpe columns, recht uit het vagevuur.

De waan van de dag komt met de morgen en draagt zelden een boerka. Toch een GAS-boete. Voor eigenwaan. En voor überkitsch in rococostijl: geen letter te weinig, geen woord te goedkoop. Zo wollig dat het lijkt alsof er een hele kudde schapen aan verloren is gegaan. Al hoedt de herder nog zo graag.

Maar de lammeren in kamp Camps volgen gedwee. Meer nog, ze tonen zich strijdbaar en schurken maar wat graag aan tegen dat warme, grootvaderlijke lijf van de oude kampoverste. Als jonge jongetjes op de klamme schoot van de internaatsopvoeder.

Vermoeiend toch, al die grootsprakerigheid.

Hyena-journalistiek: isoleren, opjagen, verscheuren. En wat niet verteert gewoon uitspuwen in balorige braakballen. Of machinaal verteren als een cloaca.

Herkauwers doen het met vier magen, een vette pens en een kwak vetzuren. Maar jij, de evenhoevige Camps, hebt genoeg aan een paar potige pennetrekken. En een slok whiskey.

Meester Prikkepen.

Grossieren in verkrampte linksigheid en onwetendheid -desnoods tegen beter weten in- badineren in selectieve blindheid, en accelereren in nijd en rancune: een core business als geen andere. Ooit die van Kristien Hemmerechts; tot nader order alive maar niet meer zo kickin’. Maar nu is het rijk aan jou, Hugo.

Koning van de karikatuur.

Wat heb je aan nuance als je maar 200 woorden krijgt? Lang leve de tweedeling, want het leven is een groot dilemma. Voor of tegen, onder of boven, rechts of links, Vlaamse grondstroom of Molensteedse modder. Kleur bekennen zonder kleuren: alles zwart-wit. Net zoals in de jaren ’30. Verhuis naar Gent, Hugo, waar alles peis en vree lijkt en de geesten utopie veinzen.

Luide hoop in bange dagen.

Iemand die alleen maar schreeuwt, creëert zijn eigen potsierlijkheid. Je eigen woorden, Hugo. En toch. Respect. Hysterisch orakelen in een schijnbaar poëtisch adagium en er ook nog vlotjes de kost mee verdienen; het is weinigen gegeven.

Daarom dus. Die knieval voor Marchal en tongval voor Maxima.

Wel alert blijven, Hugo. Zelfs een monument als jij blijft maar beter waken over zijn merite. Want voor je ‘t weet gaat er een jonge wolf mee aan de haal. Er was een tijd dat niemand je columns begreep. Knap vond ik dat, een unique selling proposition zelfs. Maar de tijden zijn veranderd. Waar is dat moeras van beeldspraak (dixit Clement Peerens) van weleer gebleven? Ik zie je wat laagdrempelig afglijden naar een breed publiek. Het plebs, Hugo, het plebs … Niks voor jou, me dunkt.