Altijd al eens een Campske willen doen. Als wederwoord, of beter wederdaad, in een opbod van stereotiepen. En voor een sujet uit de Serpentstraat: eerder een monotiep.
“Ge moet het toch maar doen, eej? Zo’n scherpe pen dat die Camps heeft!” Kwestie van de kotsstraal van blinde adoratie een halt toe te roepen, repliceer ik dat zoiets best te doen valt. En dat de schertsfiguur Hugo Camps verworden is tot een karikatuur van zichzelf wiens schrijfsels tot stand komen volgens een strak format. Noem het gerust een one trick pony. Waarop het sujet op zijn paard kruipt en steigert. Wat volgt is minachting en hoongelach. “Kunde gij het? Eej, kunde gij het misschien?” Soms laat je zelfoverschatting beter waar ze hoort: aan de toog en in het glas. Of niet.
Hugo Camps: accelereren in nijd en rancune
Jouw recht op spot, Hugo. Want wie je columns leest, beleeft daar kennelijk veel lol aan. Toegegeven, ik ben geen fan. Ook niet van de vorm. Die diarree aan onbestemdheid doet mij denken aan de nasleep van mijn laatste dürüm. Lang borrelen, iets minder lang spetteren maar nooit eens echt knallen.
Boze, blanke man. Grof gesponnen en los genaaid.
Nog een rondje gekscheren voor de eigen elite, het schuim op de lippen. Demareren, exalteren … tot de bom bijna barst. Lolo Ferrari leeft en ze schrijft columns. Scherpe columns, recht uit het vagevuur.
De waan van de dag komt met de morgen en draagt zelden een boerka. Toch een GAS-boete. Voor eigenwaan. En voor überkitsch in rococostijl: geen letter te weinig, geen woord te goedkoop. Zo wollig dat het lijkt alsof er een hele kudde schapen aan verloren is gegaan. Al hoedt de herder nog zo graag.
Maar de lammeren in kamp Camps volgen gedwee. Meer nog, ze tonen zich strijdbaar en schurken maar wat graag aan tegen dat warme, grootvaderlijke lijf van de oude kampoverste. Als jonge jongetjes op de klamme schoot van de internaatsopvoeder.
Vermoeiend toch, al die grootsprakerigheid.
Hyena-journalistiek: isoleren, opjagen, verscheuren. En wat niet verteert gewoon uitspuwen in balorige braakballen. Of machinaal verteren als een cloaca.
Herkauwers doen het met vier magen, een vette pens en een kwak vetzuren. Maar jij, de evenhoevige Camps, hebt genoeg aan een paar potige pennetrekken. En een slok whiskey.
Meester Prikkepen.
Grossieren in verkrampte linksigheid en onwetendheid -desnoods tegen beter weten in- badineren in selectieve blindheid, en accelereren in nijd en rancune: een core business als geen andere. Ooit die van Kristien Hemmerechts; tot nader order alive maar niet meer zo kickin’. Maar nu is het rijk aan jou, Hugo.
Koning van de karikatuur.
Wat heb je aan nuance als je maar 200 woorden krijgt? Lang leve de tweedeling, want het leven is een groot dilemma. Voor of tegen, onder of boven, rechts of links, Vlaamse grondstroom of Molensteedse modder. Kleur bekennen zonder kleuren: alles zwart-wit. Net zoals in de jaren ’30. Verhuis naar Gent, Hugo, waar alles peis en vree lijkt en de geesten utopie veinzen.
Luide hoop in bange dagen.
Iemand die alleen maar schreeuwt, creëert zijn eigen potsierlijkheid. Je eigen woorden, Hugo. En toch. Respect. Hysterisch orakelen in een schijnbaar poëtisch adagium en er ook nog vlotjes de kost mee verdienen; het is weinigen gegeven.
Daarom dus. Die knieval voor Marchal en tongval voor Maxima.
Wel alert blijven, Hugo. Zelfs een monument als jij blijft maar beter waken over zijn merite. Want voor je ‘t weet gaat er een jonge wolf mee aan de haal. Er was een tijd dat niemand je columns begreep. Knap vond ik dat, een unique selling proposition zelfs. Maar de tijden zijn veranderd. Waar is dat moeras van beeldspraak (dixit Clement Peerens) van weleer gebleven? Ik zie je wat laagdrempelig afglijden naar een breed publiek. Het plebs, Hugo, het plebs … Niks voor jou, me dunkt.