Archive for the 'Verkeer' Category

Nep-coureur

Lap. Ze zijn daar weer … de nep-coureurs. Een vroege lente en een koers op tv: meer hebben ze niet nodig om zich in hun supergeile lycra-pakjes te hijsen.

En ze zijn met veel.
En ze gaan snel.
Maar vooral … ze wijken niet.

Nee, dat moeten wij doen. ‘Wij’ zoals in ‘recreatieve voetganger of fietser’. Voor wie ontspanning niet gelijk staat aan prestatie.

Zon en asfalt? O jee. Daar gaat de nep-coureur. Eén van de minder aangename neveneffecten van goed weer. Zoals wespen op een appeltaart, of muggen op een bezwete bast. Of eenzaamheid aan de toog.

Tegenwoordig durven ze ook al eens een mountainbike berijden. Afgelopen zondag terroriseerde er ééntje wandelaars rond de vijver in Merelbeke. Een wat oudere vrouw beleefde de schrik van haar leven toen ze bijna van haar sokken werd gereden. Ze beet ei zo na in het zand. Letterlijk. Ik vroeg mij luidop af of het een beetje zal gaan. Heel even leek hij verhaal te komen halen. Niet dus. Mijn madam vroeg zich ondertussen af of het beetje zal gaan met mij. Ik zeg: nog liever dooie vogel dan struisvogel.

Continue reading ‘Nep-coureur’

Kijkstage

Als u één dezer een knalrood autootje van een autorijschool ziet voorbijknoeien in de regio Gent, dan is de kans groot dat ik erin zit. Niet op de bestuurders- of passagiersstoel, maar op de achterbank. Tweeëndertig uren kijkstage vormen de kroon op de geweldige opleiding ‘rijschoollesgever‘ van de VDAB en Cevora. Een mens moet iets als hij niet meer aan de bak komt. Ik zou zelfs meer durven zeggen: een mens wordt daar redelijk wanhopig van. Verdomde crisis. Je kan toch niet elke avond een sixpack wegtikken?

Rijschoollesgever dus: een knelpuntberoep. Logisch. De (staats)examens zijn niet van de poes, de job is slecht betaald (max. 1300 euro netto), en je zet eigenlijk elke dag je leven op het spel. Niks om voltijds te doen, maar wel een interessant bijberoep.

En ondertussen die verdomde kijkstage. Van de Heuvelpoort naar Melle naar Gentbrugge naar De Pinte naar Melle en vice versa. En ik mag niks zeggen. Alleen maar kijken. En ik heb dingen gezien die de leerling niet zag: copulerende koeien bijvoorbeeld. Eéntje om te onthouden voor die modelles. Eigenlijk had ik het na vier uren al redelijk bekeken. Toen kroop een vrouwmens van middelbare leeftijd achter het stuur dat mij bijna een whiplash kostte. En ik heb ook geleerd dat je als rijinstructeur beter geen koffie drinkt tijdens de diensturen. Tweeëndertig uren… hoe halen ze ‘t in hun hoofd? Als een leeuw in een kooi.

Mens, erger je

Er zijn twee groepen mensen waar ik mij wel eens aan erger hier in Gent. Nuja, het zijn er wel meer eigenlijk -je bent een filantroop of je bent het niet- maar West-Vlamingen zijn nu éénmaal buiten categorie. Die bedoel ik dus niet.

Toeristen. Ik weet het: ze zijn goed voor de commerce, maar ze zijn met steeds meer. En ze luisteren ook almaar vaker naar tot de verbeelding sprekende namen als Henk of Jaap. Tot daar aan toe. Veel erger vind ik het feit dat ze als een kieken zonder kop over straat slenteren. Meestal met HD-camera in de aanslag. Ik had er laatst bijna ééntje op mijn fietskader gespietst. En ja, ik weet dat je stapvoets moet fietsen in een voetgangerszone. Maar toch… En ondertussen maar morren over de werken in de binnenstad. Zij wonen er niet eens.

Studenten. Ze heten een verrijking -lees: troef- voor de stad. Maar is dat wel altijd zo? Als ik ‘s morgens vroeg langs de Graslei fiets na een vroege lentedag ligt die erbij als een sloppenwijk van Calcutta. We zijn ook jong geweest, maar een beetje respect voor die prachtige historische binnenstad zou toch echt geen kwaad kunnen. Me dunkt. Of ben ik nu een ouwe zeur aan het worden? Maar dat is niet alles. Frituren die volgepakt staan met studenten zijn ook al niet te pruimen. Zeker als ze allemaal een bestelling beginnen afdreunen, zodat het wachten net iets langer duurt.

Vervolg

Bon, we zijn een paar weken offline geweest omwille van een administratief probleempje. Een detail, meer niet. Om een lang verhaal kort te maken; het domein apeningent.be zit nu bij een Gents bedrijf. Beter een dichte buur, zeg maar.

Ondertussen zomert het in de Groene Vallei, en -wie weet- ook wel in Central Park. Uw Antwerpenaar in Gent had het de voorbije weken overigens te druk voor enig geschrijf, en maakte van de gelegenheid gebruik om zich te verdiepen in de wondere wereld van de verkeerskunde. Het bleek geen gezonde keuze. Als u één dezer op straat wordt uitgescholden voor dom kalf: aangenaam! In dat geval heeft u gezondigd tegen één van de 87 artikelen van de verkeersreglementering.  Is dat met voorbedachte rade, dan bent u waarschijnlijk gewoon een Turk.

Autovrije zondag voorgelicht

Vooruitziende, voorlichtende  jongens en meisjes bij de Stad Gent: vandaag valt er bij uw nieuwe Gentenaar een folder over autovrije zondag in de bus. Autovrije zondag vindt plaats op 19 september 2010; over een maand of zeven dus. In de nasleep van de zomer. Vooraleer de zomer zijn intrede doet, moet het ook nog lente worden. Vooraleer elke voetganger en fietser zich op die hoogdag ‘opgelucht’ door de stad begeeft, laveert diezelfde tweevoeter of -fietser nog tussen een meute zwalpende  zatlappen. Ergens in juli. Ik wil maar zeggen: het is nog even.  Hopelijk sturen ze daags of weeks voordien ook nog een reminder.

“We vinden het belangrijk om u nu al over deze autovrije dag te informeren. Op die manier kan u ruim vooraf rekening houden met de speciale verkeerssituatie die dag.”

Is genoteerd.

De allochtoon en de jeanet

Gisteren schreef ik op feestboek het volgende:

F.C. kreeg van een strak gecoiffeerde Noord-Afrikaan in zwarte tweedehands-BMW te horen dat hij een jeanet is, en besloot daarop een Gini Lemon te nuttigen op het terras van een homo-café.

Het is maar de halve waarheid, maar daarom heet zoiets dan ook ‘microblogging’. Geen ruimte voor detail dus. Onze gekleurde, machoïde medemens in kwestie vond het immers nodig om te claxonneren omdat mijn lief tussen –en dus niet rechts van- de tramsporen reed. Het was in een éénrichtingsstraat die naar het Gravensteen leidt. Waarop ik enigszins aangespoord door een tropisch klimaat op non-verbale wijze mijn mening duidelijk maak. Geen middelvinger, maar eerder een gebaar in de trant van ‘wat is ’t joeng?! Hij stopt net iets te plots, en het scheelt geen haar of ik vlieg door zijn achterruit en beland met slokdarm op zijn versnellingspook. Terwijl zijn vriendin naast hem laat merken dat ze eveneens niet is opgezet met het gedrag van haar chauffeur, lees ik hem nogal kordaat de levieten. Dat is hij duidelijk niet gewoon; een autochtoon die zich geen schrik laat inboezemen door iemand als hij. ‘Als hij’, dat wil zeggen: irritante, allochtone mentaal-gehandicapte die zich laat opmerken door een agressieve rijstijl in een gedateerde BMW met veel te luide maar vooral foute muzieksmaak en latent gebrek aan respect voor vrouwen. Even zie ik de ontreddering in zijn expressie, maar die slaat al gauw over –of wat had u gedacht?- in agressie. Ik denk even dat hij me van repliek gaat dienen, hetgeen in zekere zin ook zo is, maar die repliek blijkt nogal weinig doordacht. ‘Euj… jeanet!’, klinkt het met licht Antwerps accent. Een verlichte geest, zoveel is duidelijk. Eén met de herseninhoud van een eekhoorn. Bijvoorbeeld. Even lijkt het erop alsof hij gaat uitstappen of me gaat aanrijden. Daar moet je altijd op bedacht zijn, het zou mogelijk niet de eerste zijn. Ik kalmeer en besluit niet verder te reageren, aangezien ’s mans opmerking zodanig stereotiep is dat ze lachwekkend wordt. Behalve dan in het machoïde hoofd van het mannetje dat dommigheid cultiveert als boer Charel koeien. Maar leg maar eens uit wie boer Charel is. Ik ga even ‘afkoelen’ op het eerste het beste terras. Het blijkt waarachtig een holebi-café.

Stationswedstrijd

Berlijn was zo indrukwekkend dat bloggen over het dorp Gent even té banaal leek. Want laat ons eerlijk zijn: vergeleken met de Duitse hoofdstad is Gent een dorp en Antwerpen een provinciestadje, en lijkt elke vorm van chauvinisme op dat vlak nogal bespottelijk. (‘Belachelijk’ is een woord dat onze wederhelft –een ingeweken maar ondertussen geassimileerde Hollandse- niet graag hoort.) En toch kunnen ze het niet laten, de Gentenaren. Al van in mijn lagere schooltijd, toen Gent nog een vuil, donker en stinkend hol was, kreeg ik te maken met het oeverloze geëmmer van al te fiere stroppendragers die geen gelegenheid lieten voorbijgaan om de competitie met de Antwerpenaar kunstmatig in leven te houden. Een verloren zaak natuurlijk, maar soit… Zelfs de pers laat zich op dat vlak niet onbetuigd. Ook twintig jaar later. Gisteren was het weer van dattum, want wie dacht dat de Calimero in de Gentenaar ondertussen in coma lag heeft het mis. 

‘Sint-Pieters wordt het perfecte station, nog beter dan Antwerpen-Centraal.’ 

Kijk, dat Gent Sint-Pieters op termijn een 10/10 krijgt is natuurlijk fantastisch nieuws. Voor Gent én voor die enkele Antwerpenaar die dag in dag uit naar de Arteveldestad spoort. Maar de vaststelling dat het Sint-Pietersstation na de werken het Centraal Station van Antwerpen –nu 9,5/10- zou kloppen met och here een half puntje lijkt mij net zo relevant als de zweetlip van Jean-Marie Dedecker. Bovendien is het nog niet zover. Op dit ogenblik haalt Gent Sint-Pieters een 7/10, zo’n tweeëneenhalve procent slechter dan Antwerpen Centraal. Op dit ogenblik is parkeren in de buurt van het Sint-Pieterssstation –met de auto of fiets- zoiets als zoeken naar een speld in een hooiberg. Vogeltjes die vroeg zingen zijn voor de poes. Afwachten dus… Want als Antwerpenaar kan ik me moeilijk inbeelden dat Gent Sint-Pieters Antwerpen Centraal naar de kroon zou steken. Dat hoeft ook niet. Antwerpen Centraal is gewoon te groot, net zoals Gent te klein is.

Wielertoerist

Ik kom noodgedwongen even terug op de Gentse hoffelijkheid waarvan sprake in het stukje ‘Gentenaren’. Nuances zijn soms het mislukte dessert waardoor het hoofdgerecht ineens een pak bitterder smaakte. Vandaag werd ik in het verkeer immers uitgescholden voor ‘onnozele zot’ door een nepcoureur.

Eerst even het referentiekader van de agressor schetsen. Het verschijnsel gelegenheids- of vrije tijdscoureur tiert bij het priemen van de zon en het uitzenden van de eerste koers op tv weer zo welig als een zwerm vliegen op een stront. De vergelijking is niet toevallig gekozen, dat begrijpt u wel. Het gaat dan meestal om prestatiehaantjes die zich na een dag op kantoor in een carnavalesk koerspakje hijsen, en er als een gek vandoor trappen in de waan dat ze –al is het maar voor heel even- Stijn Devolder of Tom Boonen zijn. In werkelijkheid zouden ze zelfs in de eerste de beste kermiskoers een belabberd figuur slaan, maar toch meent de lycrarijder dat alles en iedereen moet wijken voor zijn aanstromend fietstalent. Zo ééntje kruiste vandaag mijn pad, en dat kruisen werd bijna botsen. In het centrum van de stad, vlakbij de Dampoortstraat, een bocht afsnijden aan minstens 40 km/u en dan een argeloze nieuwe Gentenaar tegenkomen die blijkbaar een éénrichtingsstraat is ingereden op zijn fiets: het zal je maar overkomen. Dan ga je dus schelden, want een bel heb je niet op je fiets van 1.000 euro. 

Kijk, waar veel verkeer is gebeuren fouten. Want het zijn mensen die het verkeer sturen. Daar moet je op bedacht zijn, en op anticiperen. En als het dan toch fout loopt kost een minimum aan beleefdheid geen geld. Zeker geen 1.000 euro. Ook niet in Gent. 

Continue reading ‘Wielertoerist’

Wild van fietsen…

De krant Het Nieuwsblad/De Gentenaar publiceert haar tweede ‘fietspadenrapport’. De teneur is er één van gemiste kansen: ‘Fietsen nog altijd een lijdensweg’. Ook Gent ontsnapt niet aan de fietspadenmalaise. Het Dampoort-kruispunt staat op 4 in de top 5 van slechtste fietspaden van Vlaanderen. ‘Horror aan de Dampoort’ kopt de krant in kwestie met veel gevoel voor drama. 

Toen ik Gent leerde kennen deed ik dat vooral in de auto, en dat was bepaald geen pretje. Laverend tussen een legertje fietsers werd ik bijwijlen een beetje ‘wild van fietsen’. En dat mag je gerust letterlijk nemen. Toen verkeerde ik immers in de naïeve veronderstelling dat Gent de natte droom van elke fietser moest zijn, ook al regende het geen oude wijven. Nu, één jaar later, ben ik vooral fietser en weet ik wel beter.  Schots en scheef liggende kasseien, alomtegenwoordige tramsporen, en het simpelweg ontbreken van duidelijk afgebakende fietspaden: er is nog werk aan de fietswinkel in Gent. Fietsen in Antwerpen is ook niet altijd een zegen –probeer het maar eens in de Nationalestraat- maar bijlange nog niet zo erg(erlijk) als in pakweg de Gentse Papegaaistraat

Veelgehoorde commentaar van Gentenaren in het verweer luidt: ‘Vergeet niet dat het hier vijftien jaar geleden nog stonk en zwart zag van de smog!’. Akkoord, Rome is ook niet in één dag gebouwd en Beke is wellicht het beste wat Gent ooit is overkomen. Geduld is een schone deugd. Maar in Antwerpen is het comfortabeler fietsen. Voorlopig toch. Volgende keer… de voetpaden!

Fietsen op eigen risico, zeker na een fikse regenbui...

De Papegaaistraat: fietsen op eigen risico, zeker na een fikse regenbui...

Gentenaren

Het beste aan Gent zijn de Gentenaren: sociaal, hoffelijk en bescheiden. Een ware verademing als je de Antwerpse arrogantie, onverschilligheid en navelstaarderij gewoon bent. Het verkeer is een goeie graadmeter. Mensen rijden hier op een of andere manier hoffelijker en minder egoïstisch. Bovendien lijken ze veel minder vaak te claxonneren. Je zal me nu ook weer niet horen beweren dat het in Gent allemaal peis en vree is. Ik was al getuige van verkeersagressie tussen een automobilist en een paar fietsers, maar zelfs dan blijft de hommeles nog best binnen de perken. Er wordt wat over en weer geroepen –‘kiekens!’- en vies gekeken, maar daarmee was de kous af. In Antwerpen waren er gegarandeerd gewonden, zoniet doden, gevallen. Minder verkeersagressie in Gent dus, of het moest zijn dat ‘t stad trendsetter is en mijn conclusie voorbarig.

Continue reading ‘Gentenaren’