Gisteren schreef ik op feestboek het volgende:
F.C. kreeg van een strak gecoiffeerde Noord-Afrikaan in zwarte tweedehands-BMW te horen dat hij een jeanet is, en besloot daarop een Gini Lemon te nuttigen op het terras van een homo-café.
Het is maar de halve waarheid, maar daarom heet zoiets dan ook ‘microblogging’. Geen ruimte voor detail dus. Onze gekleurde, machoïde medemens in kwestie vond het immers nodig om te claxonneren omdat mijn lief tussen –en dus niet rechts van- de tramsporen reed. Het was in een éénrichtingsstraat die naar het Gravensteen leidt. Waarop ik enigszins aangespoord door een tropisch klimaat op non-verbale wijze mijn mening duidelijk maak. Geen middelvinger, maar eerder een gebaar in de trant van ‘wat is ’t joeng?! Hij stopt net iets te plots, en het scheelt geen haar of ik vlieg door zijn achterruit en beland met slokdarm op zijn versnellingspook. Terwijl zijn vriendin naast hem laat merken dat ze eveneens niet is opgezet met het gedrag van haar chauffeur, lees ik hem nogal kordaat de levieten. Dat is hij duidelijk niet gewoon; een autochtoon die zich geen schrik laat inboezemen door iemand als hij. ‘Als hij’, dat wil zeggen: irritante, allochtone mentaal-gehandicapte die zich laat opmerken door een agressieve rijstijl in een gedateerde BMW met veel te luide maar vooral foute muzieksmaak en latent gebrek aan respect voor vrouwen. Even zie ik de ontreddering in zijn expressie, maar die slaat al gauw over –of wat had u gedacht?- in agressie. Ik denk even dat hij me van repliek gaat dienen, hetgeen in zekere zin ook zo is, maar die repliek blijkt nogal weinig doordacht. ‘Euj… jeanet!’, klinkt het met licht Antwerps accent. Een verlichte geest, zoveel is duidelijk. Eén met de herseninhoud van een eekhoorn. Bijvoorbeeld. Even lijkt het erop alsof hij gaat uitstappen of me gaat aanrijden. Daar moet je altijd op bedacht zijn, het zou mogelijk niet de eerste zijn. Ik kalmeer en besluit niet verder te reageren, aangezien ’s mans opmerking zodanig stereotiep is dat ze lachwekkend wordt. Behalve dan in het machoïde hoofd van het mannetje dat dommigheid cultiveert als boer Charel koeien. Maar leg maar eens uit wie boer Charel is. Ik ga even ‘afkoelen’ op het eerste het beste terras. Het blijkt waarachtig een holebi-café.